Voltooid! Dit project lijkt momenteel geen gegevens meer te bevatten.

Resultaten zien

Schrijf je hier in voor onze mailinglijst en nieuwsbrief!

Resultaten

Publicaties

Neerlandia 2017

Aangezien Wikiscripta Neerlandica II nog maar net van start is gegaan, kunnen we voorlopig nog geen resultaten publiceren. Wie meer wil weten over de achtergrond en de opzet het project kan evenwel al ons artikel in Neerlandia lezen.
Lees hier het artikel

HSN 2018

Op 16 november hielden projectleider Rik Vosters en promovenda Jill Puttaert van de Vrije Universiteit Brussel een lezing op de jaarlijkse Conferentie Onderwijs Nederlands (HSN) . Hierin gingen ze in op de mogelijkheden die bronnen 'van onderop' zoals armenbrieven ons bieden om tot een nieuwe geschiedenis van de Nederlandse taal te komen. De tekst van de lezing kan je hier gratis nalezen.

Publiekslezingen

Lezing Orde van den Prince Eindhoven

Op 17 oktober gaf prof. dr. Rik Vosters een lezing voor de leden van de Orde van den Prince Eindhoven en Eindhoven Nassau. Hij sprak er onder andere over digitalisering als breekijzer voor een nieuwe taalgeschiedenis, en ging in op hoe de transcripties van het Wikiscripta-project ons toelaten om de Nederlandse taalgeschiedenis met een frisse blik te bekijken. Samen met het publiek bekeken we enkele voorbeelden van dergelijke alternatieve sporen van geletterdheid, en stond prof. Vosters stil bij de vraag hoe bronnen zoals brieven of dagboeken onze blik op de taal van weleer kunnen verruimen. Zo toonde hij op basis van recent onderzoek in Brussel en Leiden aan hoe een studie van de taalgeschiedenis van onderop – en historisch sociolinguïstische benaderingen in bredere zin – enkele hardnekkige mythes uit de traditionele geschiedenis van het Nederlands aan de kaak stelt.

Lezing Taal & Tongval

Op 13 december 2019 gaven onderzoeksters Iris Van de Voorde en Eline Lismont een lezing op het jaarlijkse Taal- en Tongvalcolloquium in Gent. Het thema van de bijeenkomst was spellingevolutie en -verandering, en zij gaven een bijdrage waarin de evolutie van de spelling van de lange A-klank werd onderzocht. Zo toonden ze op basis van o.a. het egodocumentenmateriaal uit Wikiscripta aan dat de echte omslag van naar -spellingen in Nederland in de mid-18de eeuw gebeurde, terwijl in Vlaanderen de -spellingen nog tot aan de periode van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden bijzonder sterk stonden. Ook beargumenteerden ze dat er voor dit kenmerk geen sprake lijkt te zijn van invloed van grammatici of spellingberegelaars: in spellinggidsen en grammatica's vindt de omslag van naar al veel vroeger plaats, maar dit lijkt redelijk los te staan van het eigenlijke gebruik binnen de taalgemeenschap.

Onderzoeksprojecten

Sinds de start van het project is er heel wat materiaal gedigitaliseerd en ontsloten voor taalhistorisch onderzoek, en er zijn dan ook heel wat nieuwe projecten gestart die met dit materiaal aan de slag gaan. Voor een compleet overzicht van al het lopende taalhistorische onderzoek aan de Vrije Universiteit Brussel (link) kunt u ook eens een kijkje nemen op de recent gelanceerde website www.historicalsociolinguistics.be .

Doctoraatsonderzoeken

Iris Van de Voorde

Het gros van de dagboeken, reisverslagen en andere grotere egodocumenten uit Wikiscripta wordt ingezet binnen het project Pluricentriciteit in de taalgeschiedenis: bouwstenen voor een geïntegreerde taalgeschiedenis van het Nederlands (1550-1850). Aan dit project, gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen(FWO) is promovenda Iris Van de Voorde verbonden, in een dubbeldoctoraat aan de Vrije Universiteit Brussel (promotoren: Rik Vosters en Wim Vandenbussche) en de Universiteit Leiden (promotoren: Marijke van der Wal en Gijsbert Rutten). Dit project mikt erop om het ontstaan en de evolutie van het Standaardnederlands te bekijken vanuit het idee dat innovaties zich verspreiden van centrum naar periferie (bijv. van Holland naar Zeeland), en van het noorden van het taalgebied (bijv. Holland en Zeeland) naar het zuiden van het taalgebied (bijv. Brabant en Vlaanderen). Hiertoe werd het Historical Corpus of Dutch (HCD) ontwikkeld, met egodocumenten, pamfletten en ambtelijke teksten uit vier eeuwen (16de tot 19de eeuw) uit vier regio's (Holland, Zeeland, Brabant, Vlaanderen).

Charlotte Verheyden

Charlotte Verheyden (VUB) werkt sinds 1 november als promovenda aan een nieuw onderzoeksproject dat goedgekeurd werd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen (FWO) : ‘Hadde ik maer fransch konnen spreeken’. Een historisch sociolinguïstisch onderzoek naar de invloed van het Frans op het Zuidelijke Laatnieuwnederlands. In dit project onderzoeken we dus de invloed van het Frans op het Zuidelijke Nederlands in de moderne taalgeschiedenis, en wordt o.a. gebruikt gemaakt van brieven uit de Eerste Wereldoorlog, zoals de op Wikiscripta aangeboden correspondentie van Maurice Hemeryck.

Dit project vindt bovendien aansluiting bij het grootschalige Pardon my French-project dat sinds 2018 in Leiden loopt, onder leiding van Gijsbert Rutten (link). Hierbij wordt onderzocht wat de positie van het Frans in Nederland precies was, en wat vervolgens ook de invloed van dat Frans was op de zich ontwikkelende Nederlandse standaardtaal.

Yasmin Crombez

In oktober 2019 startte Yasmin Crombez (VUB) met haar doctoraatsonderzoek, waarbij zij de invloed van het Engels op het taalgebruik van naar Amerika uitgeweken Vlamingen wil onderzoeken. Om het nodige materiaal ter beschikking te stellen van haar onderzoek, lanceren we nu de nieuwe bronnenreeks met emigrantenbrieven van Vlaamse landverhuizers naar Amerika.

Promotie

Jill Puttaert

Op 12 december 2019 verdedigde doctoranda/promovenda Jill Puttaert haar proefschrift getiteld Vergeten stemmen van onderop. Een sociolinguïstische analyse van briefwisseling van de lagere klassen in de Lage Landen in de lange negentiende eeuw. Ze maakte hiervoor o.a. gebruik van een corpus van Vlaamse en Zeeuwse armenbrieven, zoals die ook op Wikiscripta worden aangeboden. Ze bestudeerde hiermee het taalgebruik van de lagere sociale klassen in de negentiende eeuw, en toonde aan dat de schrijftaal van deze vaak niet sterk geletterde schrijvers (als ze zelf de pen voerden, uiteraard) allerminst kan worden weggezet als dialectisch of normloos. Ze legt de nadruk op de talige creativiteit die deze schrijvers vaak aan de dag legden, en het brede, maar ook hybride talige repertoire waaruit zij putten – gaande van elementen uit de lokale dialecten en spreektaal, tot hyperformule kenmerken die als uitermate schrijftalig kunnen worden getypeerd.